Financiële risico's
In de toelichting bij het meerjarenplan moet er conform de regelgeving een overzicht van de financiële risico’s opgenomen worden. Dit bestaat uit een omschrijving van de financiële risico’s die het bestuur loopt en van de middelen en mogelijkheden waarover het bestuur beschikt of kan beschikken om die risico’s af te dekken.
Pensioenproblematiek
In tegenstelling tot andere overheidsniveaus en tot de private sector, staan de lokale besturen in België volledig zelf in voor de financiering van de pensioenen van hun statutaire personeelsleden.
Deze financiering is gebaseerd op een solidair systeem waarbij de basispensioenbijdragen op de lonen van de actieve statutairen de pensioenlast moeten dekken.
Door de toenemende pensioenlasten (meer mensen gaan op pensioen en blijven langer leven) enerzijds en het dalend aantal actieve statutairen anderzijds komt deze financiering onder druk te staan. Sinds 2012 worden besturen waar de statutaire pensioenlast groter is dan de basispensioenbijdrage die wordt betaald, geresponsabiliseerd. Deze responsabilisering houdt in dat zij los van de pensioenbijdrage die zij betalen voor elk actief statutair personeelslid, ook nog eens 50% van het verschil tussen de eigen pensioenbijdragen en de eigen pensioenlast moeten betalen. Ondertussen is die responsabiliseringscoëfficiënt al boven 70% gestegen.
Zowel het percentage van de basispensioenbijdragen als dat van de responsabiliseringsbijdrage zal volgens de prognoses van de federale pensioendienst de komende jaren nog verder stijgen, met de nodige financiële impact voor de lokale besturen tot gevolg. In 2026 zal, volgens recente info, het percentage van de basispensioenbijdragen 45% en dat van de responsabiliseringsbijdrage 77,11% bedragen, ten opzichte van respectievelijk 40% en 52,94% in 2022.
De Vlaamse regering erkent de pensioenproblematiek van de lokale besturen en draagt vanaf 2020 ongeveer de helft van de responsabiliseringsbijdrage. Ook voor deze legislatuur behoudt Vlaanderen deze subsidies, evenwel met vanaf 2027 een lagere aangroei van de Vlaamse dotatie tov de vorige jaren. Deze daling wordt verhoudingsgewijs verdeeld over het aandeel van elke begunstigde van de dotatie.
Met de programmawet van 18 juli 2025 heeft ook de federale regering beslist om het systeem van de kortingen op de responsabiliseringsbijdrage voor de kosten van de tweede pensioenpijler van de contractuele personeelsleden te wijzigen. De verminderingen voor de jaren 2024 tot en met 2028 (berekening in 2025 tot en met 2029) wordt vastgesteld op 30% van de kostprijs van de tweede pensioenpijler. Voordien was dit 50%.
Voor zowel de Vlaamse als federale maatregel is er op dit moment geen zekerheid of en op welke manier deze verder in de toekomst zullen voorzien worden.
In het meerjarenplan houden we rekening met de geraamde bedragen van de federale pensioendienst. Deze worden jaarlijks bijgestuurd op basis van de meest recente informatie. De federale korting wordt mee in rekening gebracht. Ook de tussenkomst van Vlaanderen wordt voorzien, op basis van de cijfers op de website van Agentschap Binnenlands Bestuur.
Bevolkingsevolutie
De demografische evolutie heeft een sterke impact op het lokale beleid.
De laatste jaren kent Heist-op-den-Berg een sterke bevolkingsgroei. Ook voor de komende jaren wordt een verdere bevolkingsgroei voorspeld. Dit heeft mogelijks een effect op de dienstverlening die we aanbieden en de vraag naar voorzieningen. Door de vergrijzing neemt ook de zorggraad toe. Het zorgaanbod vraagt ook steeds meer maatwerk.
Uit de omgevingsanalyse blijkt tevens dat Heist-op-den-Berg meer vergrijzing kent dan andere gemeenten. Door de stijging van de leeftijd van de bevolking neemt het aandeel van de actieve bevolking af. Dit zal op termijn de inkomsten per gezin en bijgevolg ook de opbrengsten uit de aanvullende personenbelasting doen dalen.
Aangezien de ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting een groot aandeel hebben in de ontvangsten van Heist-op-den-Berg is de mogelijke impact relatief groot. De voorspelde verdere bevolkingsgroei van Heist-op-den-Berg kan dit deels opvangen. De demografische evolutie moet evenwel nauw opgevolgd worden.
Beslissingen op andere overheidsniveaus
Begrotingsoefeningen van zowel de federale en Vlaamse overheid hebben vaak op meerdere vlakken directe, vaak negatieve, gevolgen voor de lokale financiën. Daarnaast doen de andere overheden steeds meer beroep op de lokale besturen om actief bij te dragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. De exacte financiële weerslag is dikwijls moeilijk te bepalen en houdt dus een risico in.
De evolutie van exploitatie-ontvangsten
Aanvullende personenbelasting
De ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting zijn sterk afhankelijk van wat de overheid als basisbelasting bepaalt. Zowel de progressiviteit (belastingschijven) als de omvang van de aftrekposten en de vrijstellingen worden bepaald door de federale en gewestelijke beleidsniveaus.
Bijgevolg zal elke belastinghervorming een impact hebben op de gemeenteontvangsten. Zo zal de aanvullende personenbelasting de impact van het optrekken van de belastingvrije som ondervinden. Momenteel baseren we ons op de meest recente ramingen van de FOD voor de periode 2026-2029, in 2030 en 2031 nemen we voorlopig slechts een deel van de impact mee. De uiteindelijke impact kan hoger of later zijn of op een ander moment in de tijd. Dit moet verder opgevolgd worden.
Ook de demografische evolutie van de gemeente kan een grote impact hebben (zie boven).
De inning van de aanvullende personenbelasting is onder meer afhankelijk van het inkohieringsritme van de FOD financiën. Hierdoor kunnen belangrijke budgettaire schommelingen ontstaan. Sinds 2017 wordt er weliswaar gewerkt met voorschotten waardoor er een positieve impact is op de thesaurie. Budgettair heeft dit echter geen impact.
Naast het inkohieringsritme zijn de ontvangsten, die effectief worden verwezenlijkt gedurende een jaar, afhankelijk van elementen waarvan de invloed niet precies kan worden ingeschat. Onder meer onverwachte en bijkomende invorderingsmoeilijkheden ingevolge faillissementen, nalatenschappen, bezwaren, verlenen van betalingsfaciliteiten, enz. spelen hier een rol.
De evolutie in de ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting wordt nauw opgevolgd via staat 173X. De ramingen worden steeds aangepast op basis van de beschikbare informatie.
Opcentiemen onroerende voorheffing
Enerzijds worden de ontvangsten uit opcentiemen onroerende voorheffing negatief beïnvloed door de vrijstelling van kadastrale inkomens door de Vlaamse overheid. Zo zijn er vrijstellingen op materieel en outillage, na renovatie van verwaarloosde en onbewoonbare woningen, na het verbouwen van handelspanden tot woning, …
Anderzijds zien we in Heist-op-den-Berg een stijging van het aantal woningen door een groot aantal nieuwe verkavelingen. Dit heeft een positief effect op de gemeentelijke ontvangsten.
Gemeentefonds
Tot op heden is een groei van 3,5% van het gemeentefonds gegarandeerd. Dit kan in de toekomst echter wijzigen. Aangezien dit een belangrijke financieringsbron is voor het lokaal bestuur, houdt dit een mogelijk risico in.
Daarnaast is de stijging van het Gemeentefonds niet gekoppeld aan de reële inflatie. Bij een zeer hoge inflatie lopen we het risico geconfronteerd te worden met een erosie van het Gemeentefonds.
Debiteuren
Er bestaat steeds een risico op wanbetaling door debiteuren. Om dit in te perken wordt er volop ingezet op een strak debiteurenbeheer.
Dividenden netbeheer
Er heerst heel veel onzekerheid over de toekomstige dividenden van de distributienetbeheerders (DNB).
In juni 2024 heeft de VREG de tariefmethodologie 2025 – 2028 vastgelegd. De tariefmethodologie legt het kader vast voor het bepalen van de inkomsten van de Vlaamse distributienetbeheerders in de komende vier jaar, alsook de regels waaraan de netbeheerders zich moeten houden om te komen tot de jaarlijkse nettarieven. De nettarieven voor het jaar 2025 werden vastgelegd in december 2024. De opdrachthoudende verenigingen hebben beslist de nieuwe tariefmethodologie juridisch aan te vechten, momenteel ligt deze ter discussie bij het Marktenhof en bij het Europees Hof van Justitie. In de huidige stand van zaken van de juridische procedure verwacht Fluvius geen uitspraak vóór begin 2027.
In juni 2025 werd door de raden van bestuur van de opdrachthoudende verenigingen een nieuw dividendbeleid beslist. De ongunstige tariefmethodologie voor de periode 2025-2028 voor elektriciteit en gas en de toenemende druk op de kredietwaardigheid door een dalend eigen vermogen zouden aan de basis liggen van deze maatregel.
Concreet zal voor de huidige tariefperiode 2025-2028 als stelregel gelden dat 60% van de verwachte winst voor elektriciteit en gas als dividend aan de DNB-aandeelhouders wordt uitgekeerd. Er geldt een uitzondering voor die DNB's die op 31 december 2024 voor bepaalde activiteiten (elektriciteit, gas, of beide) een verhouding 'eigen vermogen ten opzichte van de gereguleerde activawaarde (RAB)' vertoonden van minstens 40%: zij kunnen in de betrokken activiteit(en) tot 100% van de verwachte winst uitkeren aan hun aandeelhouders. Hiermee komt de gemiddelde pay-outratio voor 2025-2028 naar schatting uit op 66%.
Daarnaast werkt Fluvius al enige tijd aan een versterking van het eigen vermogen. Het beoogde extra kapitaal moet de schuldgraad onder controle houden en een mogelijke ratingverlaging bij Moody’s voorkomen. Op 18 juli 2025 heeft de Vlaamse Regering uitdrukkelijk de noodzaak erkend om het eigen vermogen van Fluvius te versterken, wat moet toelaten op een financieel gezonde manier de nodige investeringen in het elektriciteitsnet voor de energietransitie te realiseren. De Vlaamse Regering heeft zich ertoe geëngageerd om bijkomend kapitaal, tot een bedrag van 1,56 miljard euro, te voorzien voor de Vlaamse distributienetbeheerders. Op die manier kan bij deze DNB's een verhouding tussen eigen vermogen en gereguleerde actiefwaarde (RAB) van 40% behouden blijven. Het doel is om deze kapitaalinjectie te realiseren vanaf de eerste jaarhelft van 2026. De Vlaamse Regering heeft aangekondigd de exacte modaliteiten van deze kapitaalinbreng verder uit te werken met Fluvius in de tweede jaarhelft van 2025. Bijkomend heeft de Vlaamse Regering zijn intentie uitgesproken om de versterking van het eigen vermogen van Fluvius aan te grijpen om in verschillende fasen naar een maximale vereenvoudiging van het Vlaamse distributienetbeheer te gaan, en dit in overleg met Fluvius en de gemeenten.
Wat de impact gaat zijn van deze versterking van het eigen vermogen en de mogelijke vereenvoudiging van de structuren rond het beheer van het net is niet duidelijk. Waarschijnlijk zullen de geraamde ontvangsten uit dividenden in de komende jaren bijgestuurd moeten worden.
In het meerjarenplan werken we momenteel met de bedragen die we per brief van 30 juni 2025 van Fluvius doorkregen. Deze vooruitzichten zijn opgesteld behoudens onvoorziene omstandigheden en houden bijvoorbeeld nog geen rekening met de mogelijke impact van een versterking van het eigen vermogen van de Fluvius groep. De vooruitzichten voor 2029 tot en met 2031 moeten louter als indicatief aanzien worden. Ze hebben immers betrekking op een nieuwe tariefperiode voor de gereguleerde activiteiten elektriciteits- en gasdistributie waarover de Vlaamse Nutsregulator nog geen enkele beslissing heeft genomen. Er is bijgevolg nog geen dividendbeleid bepaald door de raden van bestuur voor deze periode.
De evolutie van exploitatie-uitgaven
Volgens het federaal planbureau zou op basis van de huidige maandvooruitzichten de gemiddelde jaarinflatie (nationaal indexcijfer der consumptieprijzen) in 2025 op 2,4% en in 2026 op 1,5% uitkomen, tegenover 3,14% in 2024 en 4,06% in 2023.
Deze verwachte inflatiecijfers hebben uiteraard ook een effect op de uitgaven van gemeente en OCMW. In de ramingen trachten we hier zo goed mogelijk rekening mee te houden.
De personeelskosten omvatten meer dan de helft van de exploitatie-uitgaven. Een indexatie heeft hier bijgevolg een grote impact.
In januari 2025 werd de spilindex voor de overheidswedden en sociale uitkeringen laatst bereikt. Volgens de prognose van het planbureau van oktober 2025 wordt verwacht dat de volgende spilindex overschreden wordt in januari 2026. Als gevolg daarvan zouden de wedden van het overheidspersoneel in april 2026 opnieuw met 2% aangepast worden aan de gestegen levensduurte (rekening houdend met de programmawet van 18 juli 2025 (B.S. 29/07/2025). Hiermee wordt rekening gehouden in de voorziene personeelsbudgetten.
We volgen de prognoses van het Federaal Planbureau nauwgezet verder op en zullen bij de volgende aanpassing van het meerjarenplan de berekening van het personeelsbudget bijstellen aan de hand van de dan gekende cijfers.
Conform de richtlijnen bij de opmaak van het meerjarenplan moet er bij de investeringsprojecten ook rekening gehouden worden met de mogelijke bijhorende exploitatiekosten. Dit moet ook in de loop van het meerjarenplan de nodige aandacht krijgen om verrassingen te vermijden. Bij de goedkeuring van een nieuw project moet er steeds de nodige aandacht besteed worden aan de gevolgen op lange termijn.
Leefloon en equivalent leefloon
Voor de individuele steunverlening die vanuit het OCMW in de vorm van een leefloon of een equivalent leefloon wordt toegekend, is het OCMW grotendeels afhankelijk van federale financiering. Voor een kleiner deel van de financiering staat het OCMW echter zelf in. De omvang van dit aandeel is sterk afhankelijk van maatschappelijke, economische en sociale tendensen en daardoor moeilijk op voorhand in te schatten. De evolutie van de aantallen in (equivalent) leefloon-dossiers wordt continu van nabij opgevolgd.
Beperking werkloosheidsuitkering in de tijd
De federale regering heeft beslist om de werkloosheidsuitkeringen vanaf 2026 te beperken in de tijd. Deze maatregel zal leiden tot een verhoogde instroom bij het OCMW. Daarvoor is federale financiering voorzien, maar nog niet alle details zijn gekend en sommige subsidies zijn degressief. De effectieve impact van de beperking van de werkloosheid zal moeten blijken en opgevolgd worden.
Toenemende duurzaamheidsvereisten en potentiële bodemverontreinigingen
Het lokaal bestuur beschikt over een belangrijk patrimonium aan gebouwen dat onderhouden en aangepast moet worden aan de geldende en toekomstige duurzaamheidsnormen (energieprestaties, isolatie, hernieuwbare energie, circulaire materialen, enz.). De regelgeving op dit vlak evolueert snel, onder meer door Europese en Vlaamse klimaatdoelstellingen. Hierdoor bestaat het risico dat bijkomende of versnelde investeringsuitgaven noodzakelijk worden om te blijven voldoen aan nieuwe normen.
In het meerjarenplan wordt rekening gehouden met periodieke investeringen in onderhoud en energetische renovatie van gebouwen, op basis van een strategisch vastgoedplan waarin het patrimoniumbeleid op lange termijn wordt uitgewerkt en geprioriteerd.
Er bestaat ook een toenemend risico op bijkomende kosten in verband met bodemsanering, onder meer naar aanleiding van de strengere regelgeving rond PFAS en andere verontreinigende stoffen.
Bij bouw- en infrastructuurprojecten kan onverwachte bodemverontreiniging leiden tot bijkomende saneringskosten en vertragingen, wat een impact kan hebben op de financiële planning.
Schuld- en thesauriebeheer
De risico’s verbonden aan de schuld van Heist-op-den-Berg zijn vrij beperkt. Zo wordt het renterisico vermindert door systematisch te lenen met een vaste rentevoet in plaats van met een variabele. Wanneer er toch met een variabele rentevoet geleend wordt, wordt het renterisico ingedekt via een structuur.
Om het bankenrisico in te dekken werkt het lokaal bestuur samen met verschillende financiële instellingen. De spreiding van de middelen is een indekking tegen mogelijke faillissementen in de banksector.
Borgstellingen
De gemeente kan borg staan voor het bekomen van een financiering. Dit betekent dat als de schulden niet worden betaald, de schuldeiser de schulden bij de gemeente zal invorderen.
De voornaamste borgstelling is deze van de gemeente voor Sportoase in het kader van het zwembad (16,5 miljoen euro). De exploitatiecijfers van Sportoase zullen kort opgevolgd worden en in kader van de samenwerking zal er regelmatig overleg gepleegd worden.
Toegestane leningen
De gemeente Heist-op-den-Berg staat onder meer renteloze leningen toe aan erkende plaatselijke verenigingen.
Hier is er steeds een risico tot niet-terugbetaling. In de reglementen worden evenwel voldoende waarborgen voorzien via de samenstelling van het aanvraagdossier met onder meer een financiële meerjarenplanning en een borgstelling.
Verplichtingen tegenover verbonden partijen
De dotaties aan de verbonden entiteiten werden op basis van de beschikbare informatie ingeschreven. De zeggenschap inzake een eventuele verhoging van de werkings- en/of investeringssubsidies aan de politiezone, hulpverleningszone en kerkfabrieken is eerder beperkt. De evolutie van hun tekorten zal jaarlijks dienen opgevolgd te worden. Hierbij moet erop aangedrongen worden dat de entiteiten ook zelf waar nodig ingrijpen en bijsturen en de nodige maatregelen treffen om hun financiële risico’s in te perken.
Juridische geschillen
Er zijn een aantal juridische dossiers waar het lokaal bestuur in verwikkeld zit. Hier loopt het bestuur steeds het risico dat de vordering uiteindelijk niet haalbaar blijkt of dat het bestuur gevorderd wordt.
Het bestuur heeft onder meer een juridisch dossier lopen in verband met het herstel van de Mechelbaan, de dienstverlening van een veilinghuis, bezwaren tegen belastingaanslagen, …
Deze dossiers worden nauwgezet opgevolgd door de betrokken teams, bijgestaan door een advocaat.