Grondslagen en assumpties
De toelichting bij het meerjarenplan moet conform de regelgeving een beschrijving bevatten van de grondslagen en assumpties die het bestuur gekozen heeft voor de opmaak van het beleidsrapport en de wijzigingen daarvan ten opzichte van het vorige beleidsrapport. Deze beschrijving omvat de belangrijkste uitgangspunten en hypotheses die het bestuur gebruikt heeft bij de opmaak van de ramingen die in het meerjarenplan zijn opgenomen.
Algemeen
De cijfers in het meerjarenplan zijn gebaseerd op de input van de verschillende teams. Om dit te stroomlijnen heeft team Financiën bij de start van de opmaak van het meerjarenplan richtlijnen opgemaakt. In deze richtlijnen werden algemene principes meegegeven voor de opmaak van de cijfers.
Volgende principes werden onder meer meegegeven:
- Uitgaven moeten voorzien worden in het jaar dat de uitgave effectief gerealiseerd zal worden, dus wanneer de levering of dienst plaatsvindt. Dit kan ook een spreiding over meerdere jaren betekenen.
- Voor exploitatie wordt vertrokken van de rekeningcijfers van de voorbije jaren (= effectieve realisatie).
- Bij investeringsprojecten moet ook rekening gehouden worden met de eventueel bijbehorende exploitatiekosten, ook in de volgende jaren (bv. onderhoud, …).
- Sommige uitgaven en ontvangsten zijn onderhevig aan indexering. We gaan uit van een indexering van maximaal 1,5% per jaar. Andere indexeringen moeten gemotiveerd worden.
Personeel
Berekening personeelsbudget
Het personeelsbudget wordt opgemaakt op basis van de huidige personeelsbezetting, rekening houdend met lopende en geplande aanwervingsprocedures.
De wedde van alle huidige personeelsleden wordt geraamd op basis van hun individuele geldelijke loopbaan.
Voor de tewerkstellingsbreuk maken we een onderscheid op basis van leeftijd:
- Personeelsleden jonger dan 55 jaar worden gebudgetteerd volgens de tewerkstellingsbreuk waarvoor ze aangesteld zijn, ook als ze een tijdelijke vermindering (vb. looponderbreking, ouderschapsverlof) hebben van hun arbeidsduur.
- Personeelsleden van 55 jaar of ouder worden gebudgetteerd volgens de tewerkstellingsbreuk van hun effectieve huidige tewerkstelling
Een vacature wordt voorzien op basis van de schaal zoals voorzien in de formatie, rekening houdend met 10 jaar anciënniteit.
In de berekening van het personeelsbudget wordt rekening gehouden met de prognoses van het planbureau. Volgens de prognose van het planbureau van oktober 2025 wordt verwacht dat de volgende spilindex overschreden wordt in januari 2026. Als gevolg daarvan zouden de wedden van het overheidspersoneel in april 2026 met 2% worden aangepast aan de gestegen levensduurte.
Voor 2026 houden we rekening met het effect van de verwachte aanpassingen in 2025, in combinatie met één indexaanpassing in juli van dat jaar. Voor 2027 houden we rekening met een indexatie van 2%. Dit wordt bij de volgende aanpassing van het meerjarenplan opnieuw bijgestuurd, rekening houdend met de meest recente prognoses.
De effectieve realisatie van het geraamde personeelsbudget is afhankelijk van verschillende factoren. Ervaring leert ons dat onder andere afwezigheden (opnemen van bepaalde verlofstelsels, ziektes, …) en het niet (onmiddellijk) invullen van vacatures er toe leidt dat er binnen het berekende personeelsbudget steeds een overschot is. In het geraamde budget wordt hiermee rekening gehouden.
Voor maaltijdcheques wordt er, conform het sectoraal akkoord van 8 april 2020, rekening gehouden met het maximumbedrag van 8 euro per maaltijdcheque.
Pensioenen
De nodige bijdragen voor de financiering van de statutaire pensioenen zijn ingeschreven in het meerjarenplan op basis van de ramingen van de federale pensioendienst van 22 augustus 2025. Ook de tussenkomst van de Vlaamse overheid voor de verschuldigde responsabiliseringsbijdrage en de financiële bonus van de federale overheid via een korting op de responsabiliseringsbijdrage worden bijgestuurd op basis van de beschikbare informatie.
Om de pensioenkloof tussen statutaire en contractuele medewerkers te verkleinen, voorziet ons bestuur in een tweede pensioenpijler voor het contractueel personeel. Hiervoor is het lokaal bestuur aangesloten bij het Organisme voor de Financiering van Pensioenen (OFP) PROLOCUS, een pensioenfonds waarbij alle lokale besturen van het Vlaamse gewest kunnen toetreden. Jaarlijks wordt er door het bestuur 4% van het jaarsalaris van de contractuele medewerkers in het pensioenspaarfonds gestort. Dit is ook voorzien in het meerjarenplan.
Doorrekening kosten aan welzijnsvereniging
De welzijnsvereniging werd opgericht op 1 januari 2022. De operationele start werd evenwel pas op 1 januari 2023 genomen. De uitgaven en ontvangsten voor de welzijnsvereniging maken deel uit van een apart meerjarenplan.
Een aantal kosten worden evenwel nog steeds gemaakt door het lokaal bestuur. Deze worden jaarlijks doorgerekend aan de welzijnsvereniging.
Alle statutaire personeelsleden van het OCMW Heist-op-den-Berg die tewerkgesteld zijn binnen het woonzorgcentrum Berkenhof, de maaltijdbedeling, de poetsdienst, de Minder Mobielen Centrale en de dienst gezinszorg incl. jobcreatie en het persoonlijke alarmsysteem, worden ter beschikking gesteld van het OCMW Heist-op-den-Berg naar de welzijnsvereniging aan de hand van een terbeschikkingstellingsovereenkomst.
Voor bepaalde ondersteunende diensten wordt door de welzijnsvereniging beroep gedaan op de diensten van het OCMW en gemeente. Hierdoor wordt bestaande kennis en expertise gedeeld over de organisaties. Dit gebeurt op basis van een welomschreven opdracht en wordt afgesproken tussen de algemeen directeur van Gemeente/OCMW en de algemeen directeur van de Welzijnsvereniging. Deze diensten hebben onder meer betrekking op ICT, personeelsadministratie, financiën, facilitair beheer, …
De vergoeding die de Welzijnsvereniging aan het OCMW zal betalen voor ondersteunende diensten, blijft buiten de btw-sfeer ingevolge de Beslissing E.T.129.914 dd. 27.04.2016, verduidelijkt in FAQ 24 van de Circulaire 2017/C/91 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen. In deze aanpassing van het meerjarenplan wordt de inschatting van deze vergoeding bijgestuurd op basis van reeds gerealiseerde en nog verwachte inzet.
Beschikbaarheidsvergoeding zwembad
De beschikbaarheidsvergoeding die jaarlijks moet betaald worden aan Sportoase werd ingeschreven in het meerjarenplan op basis van de samenwerkingsovereenkomst en addendum 2 bij de samenwerkingsovereenkomst.
Rekening houdend met de prognoses van het planbureau wordt er een raming gemaakt voor de beschikbaarheidsvergoeding van 2026. Het reële bedrag voor 2026 zal begin 2026 worden bepaald op basis van de effectieve index van 2025. Voor 2027-2031 wordt voorlopig rekening gehouden met een indexatie van 2%.
Dotaties aan verbonden entiteiten
Dotaties aan politiezone Heist
De werkingstoelage 2026 aan politiezone Heist wordt aangepast op basis van de begroting 2026 van de politiezone. Hierbij wordt rekening gehouden met een nog goed te keuren kaderuitbreiding. In 2026 worden er extra middelen voorzien voor 4 extra inspecteurs. In 2027 verhogen we de dotatie nogmaals voor de aanwerving van nog 2 extra inspecteurs. Voor 2028-2031 wordt er rekening gehouden met een indexering van 2%.
Er wordt bovendien een investeringstoelage voorzien aan de politiezone voor de geplande investeringen. We vermijden hierdoor een grote overboeking van de gewone naar de buitengewone dienst bij de politiezone, met een onnodige verhoging van de exploitatie-uitgaven tot gevolg. Deze investeringstoelage financiert de geplande investeringen specifiek voor de werking van de politiezone, noodzakelijke werken aan het gebouw en ook een verdere uitbreiding van de snelheidscontroles.
Dotaties aan hulpverleningszone Rivierenland
De zoneraad van hulpverleningszone Rivierenland heeft op 4 juli 2025 een akkoord bereikt over de gemeentelijke dotaties voor de dienstjaren 2026-2031. Deze bijdragen werden opgenomen in het meerjarenplan, conform de goedkeuring van de gemeenteraad op 14 oktober 2025.
Subsidies aan AGB
De exploitatieontvangsten in het AGB zijn ontoereikend om de exploitatiekosten te dekken en dus om winst te genereren. Om economisch leefbaar te zijn, is het nodig dat het AGB vanwege de gemeente prijssubsidies ontvangt. Deze prijssubsidie is gekoppeld aan de toegangsprijzen en is aan BTW onderworpen.
Het voorziene bedrag aan prijssubsidies 2026 werd berekend op basis van het geraamde exploitatieresultaat, rekening houdend met de verwachte afschrijvingen. Voor de latere jaren houden we voorlopig voorzichtigheidshalve rekening met een marge. Bij elke aanpassing van het meerjarenplan zal dit indien nodig bijgestuurd worden.
Dotaties aan Welzijnsvereniging De Zilveren Zwaan
Op basis van de geraamde uitgaven en ontvangsten van de Welzijnsvereniging voor de jaren 2026-2031 wordt er een bijdrage vanuit het OCMW voorzien, zowel voor de werking als voor de voorziene investeringen.
Kerkfabrieken
De dotaties aan de kerkfabrieken worden ingeschreven op basis van de ontvangen budgetten en meerjarenplannen.
Subsidies aan Kempens Landschap vzw
In het kader van het beheer, de instandhouding van het domein en de toekomstige restauratie van de gebouwen van Hof Ter Laken in Booischot worden er subsidies voorzien aan de erfpachter, vzw Kempens Landschap. Deze subsidies worden ingeschreven op basis van de verkregen ramingen van Kempens Landschap.
Financiële uitgaven
Voor de reeds opgenomen leningen worden de intresten en aflossingen ingeschreven op basis van de begrotingsvooruitzichten van de desbetreffende banken.
Voor de nog op te nemen leningen wordt uitgegaan van een mix van klassieke leningen op 20 jaar en op 25 jaar. Hierbij wordt voor de verdeling over de 2 looptijden rekening gehouden met de verwachte levensduur van de geplande investeringen. De aflossingen en intresten worden berekend op basis van een vaste rentevoet van 3,5% en vaste annuïteiten met consolidatiedatum op 1/10/x.
Infrastructuurprojecten
Een belangrijk deel van de geplande investeringen betreft wegenwerken en rioleringsprojecten, van de voorbereidende studie tot de uitvoering. Onze gemeente kampt momenteel nog met een lage rioleringsgraad, waardoor er de komende jaren heel wat projecten op de planning staan. In de praktijk blijken de uitvoering en timing van deze projecten echter sterk beïnvloed door externe en vaak moeilijk te voorspellen factoren, zeker op langere termijn. Bovendien nemen de geraamde uitgaven voor deze projecten een aanzienlijk aandeel in binnen het totale investeringsprogramma, waarvan de onzekerheid toeneemt naarmate de planningshorizon verder reikt.
Uit de voorbije legislaturen leren we dat de doorlooptijd van infrastructuurprojecten moeilijk in te schatten is. Sommige projecten verlopen volgens de voorziene tijdslijn, terwijl andere door uiteenlopende onvoorziene omstandigheden maanden of zelfs jaren vertraging oplopen. Deze situatie stelt zich niet enkel bij onze gemeente, maar is een algemeen gegeven bij lokale besturen.
Door deze langere doorlooptijden werd in het verleden vaak een overschatting gemaakt van de verwachte uitgaven binnen het meerjarenplan. Dit kan in het slechtste geval leiden tot onnodige besparingen, het uitstellen van andere investeringen of het nemen van andere niet-noodzakelijke maatregelen.
Om die overschatting te vermijden, voorzien we in het meerjarenplan één gecentraliseerde uitvoeringspot voor infrastructuurprojecten. Deze pot wordt jaarlijks bijgestuurd op basis van de reële voortgang van de projecten. Op die manier kunnen we beter inspelen op de gemiddelde impact van onvoorziene factoren tijdens de planningsfase.
Concreet worden de geraamde studiekosten voor alle geplande projecten volledig opgenomen volgens de huidige, meest optimistische timing. De geraamde uitvoeringskosten worden samengebracht in één gezamenlijke uitvoeringspot, waarop een correctiepercentage wordt toegepast dat stijgt naarmate de planning verder in de toekomst ligt. Dit percentage weerspiegelt de toenemende onzekerheid en zorgt voor een meer realistische raming. De gehanteerde correctiefactoren (100% - 80% - 60% - 50% - 50% - 50%) zijn gebaseerd op een hogere realisatiegraad dan in het verleden. Door de uitvoeringsbudgetten van een groot aantal projecten te bundelen in één grote uitvoeringspot kunnen de schommelingen tussen projecten onderling worden uitgemiddeld. Zo ontstaat een realistischer en stabieler beeld van de totale uitgaven.
Wanneer een project het stadium bereikt waarin het bestek en de raming van het definitief ontwerp worden voorgelegd aan het bevoegde orgaan, worden de nodige middelen overgeheveld uit de uitvoeringspot en nominatief toegevoegd aan de reeds voorziene studiekosten van dat specifieke project.
Bij elke aanpassing van het meerjarenplan wordt voor alle projecten een geactualiseerde planning en raming opgesteld. Op basis daarvan schrijven we een geactualiseerde uitvoeringspot in. Op deze manier voorzien we telkens voldoende kredieten om de projecten in uitvoering te brengen, zonder het meerjarenplan nodeloos te belasten met te hoog ingeschatte uitgaven.
Bij het overzicht van de investeringen wordt er een detailtabel toegevoegd met de geraamde bedragen voor infrastructuurprojecten, inclusief de toepassing van het correctiepercentage.
Voor eventuele gerelateerde (fietspad)subsidies die betrekking hebben op projecten binnen de uitvoeringspot, wordt eveneens het toepasselijke correctiepercentage gehanteerd in functie van het jaar van de verwachte ontvangst.
Toegestane leningen
Renteloze lening aan AGB
Het bedrag van de renteloze lening van de gemeente aan het AGB is rechtstreeks gelinkt aan de voorziene investeringsuitgaven bij het AGB.
De terugbetaling van de reeds opgenomen leningen en van de op te nemen leningen in het meerjarenplan loopt synchroon met de (verwachte) afschrijvingen van de gerealiseerde en voorziene investeringen. Voor de afschrijvingen van de investeringen waarvan de realisatie verwacht wordt in de loop van het meerjarenplan, wordt in het verwachte jaar van realisatie rekening gehouden met een pro rata afschrijving van 50%.
Belastingontvangsten
Aanvullende personenbelasting
De aanslagvoet van de aanvullende personenbelasting bedraagt 7,5%.
Eind september 2025 hebben we van FOD Financiën een actualisatie ontvangen van de ramingen van de budgettaire ontvangsten met betrekking tot de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting. Deze nieuwe ramingen zijn een pak lager de ramingen die in april 2025 werden ontvangen.
Enerzijds blijkt de vorige inschatting voor aanslagjaar 2024 te hoog, waardoor de volgende aanslagjaren ook lager worden ingeschat, aangezien de groeicoëfficiënten die worden toegepast, zullen toegepast worden op een lagere basis. Daar komt nog bovenop dat de groeicoëfficiënten die worden toegepast voor de komende jaren ook naar beneden zijn bijgesteld tov wat vorige keer werd geraamd , en dit vooral ten gevolge van de nieuwe federale regeringsmaatregelen. Het is vooral de verhoging van de belastingvrije som die het meeste doorslag geeft. De verhoging van de belastingvrije som, die deels voorzien is voor inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027), maar vooral het meeste impact heeft op inkomstenjaar 2029 (aanslagjaar 2030), zorgt er voor dat de groei voor 2027 tov 2026 lager is dan bij de vorige ramingen, en dat de groei van 2030 tov 2029 zelfs negatief uitvalt.
De nieuwe ramingen van FOD Financiën houden evenwel geen rekening met de mogelijke terugverdieneffecten van de fiscale hervorming. Deze hervorming heeft tot doel werk en ondernemerschap aantrekkelijker te maken en dus meer mensen te activeren. Dit zou dan weer een positief effect moeten hebben op de ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting, zeker wanneer de hervorming in 2029 volledig is doorgevoerd. Het is momenteel niet mogelijk om deze effecten te becijferen. Het zorgt er wel voor mee voor dat de ramingen verder in de toekomst onnauwkeuriger zijn en mogelijks te negatief worden ingeschat.
Met haar brief van 7 oktober 2025 erkent minister Crevits de enorme impact van deze bijgestelde ramingen en de ongelukkige timing in de laatste rechte lijn van de opmaak van het meerjarenplan. Ze laat dan ook toe om het effect van de dalende inkomsten van de aanvullende personenbelasting nu nog niet volledig mee te rekenen en dit bij de eerstvolgende aanpassing van het meerjarenplan op een doordachte manier te verwerken.
In dit meerjarenplan werden voor de jaren 2026-2029 de meest recente ramingen van de FOD overgenomen. Voor de jaren 2030-2031 werd de helft van de negatieve impact van de nieuwe ramingen ten opzichte van de ramingen en groeicoëfficiënten van april 2025 meegenomen.
|
|
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
|
Raming FOD april 2025 |
20.000.772 |
20.659.258 |
21.428.486 |
22.245.732 |
23.135.561 |
24.060.984 |
|
Raming FOD september 2025 |
19.528.828 |
20.011.278 |
20.605.538 |
21.232.070 |
21.013.780 |
21.532.101 |
|
Raming in meerjarenplan |
19.528.828 |
20.011.278 |
20.605.538 |
21.232.070 |
22.074.670 |
22.796.542 |
|
impact die niet is verwerkt in MJP |
- |
- |
- |
- |
1.060.891 |
1.264.441 |
Bij de eerstvolgende aanpassing van het meerjarenplan zal dit herbekeken worden, rekening houdend met de meest recente info.
Opcentiemen op de onroerende voorheffing
De opcentiemen op de onroerende voorheffing bedragen 913.
De ramingen voor 2026-2031 werden op 11 september 2025 bezorgd door de Vlaamse Belastingdienst.
De Vlaamse Belastingdienst hanteert sinds 2023 een nieuwe ramingsmethodiek voor de onroerende voorheffing. Ze vertrekken voor aanslagjaar x van het niet-geïndexeerd kadastraal inkomen en niet langer van de werkelijke ontvangsten van aanslagjaar x-2. Dit levert een correctere en volledigere raming op door het feit dat ze met deze methodiek niet meer afhankelijk zijn van het inkohieringsritme maar onmiddellijk het volledig niet-geïndexeerd KI per aanslagjaar in rekening brengen.
Verkeersbelasting
De jaarlijkse Vlaamse verkeersbelasting op autovoertuigen omvat een opdeciem (10%) ten behoeve van de gemeenten.
De ramingen voor 2026-2031 zijn gebaseerd op de ramingen van de Vlaamse Belastingdienst voor (mail 11 september 2025).
Eigen belastingen
De ramingen van de ontvangsten uit de verschillende eigen belastingen zijn gebaseerd op de rekeningcijfers van de voorbije jaren en verwachte evoluties, rekening houdend met eventuele nieuwe aanslagvoeten.
GAS 5
Sinds 1 februari 2021 kunnen lokale besturen beperkte snelheidsovertredingen, op plaatsen waar een snelheidsbeperking van 30 of 50 km per uur geldt, sanctioneren met gemeentelijke administratieve sancties. Deze regeling wordt de GAS 5 genoemd.
In de loop van het eerste kwartaal van 2023 zijn we in Heist-op-den-Berg gestart met de inning van deze boetes.
In het meerjarenplan worden de voorziene ontvangsten en uitgaven in kader van GAS 5 bijgestuurd op basis van de effectieve cijfers en prognose voor de laatste maanden van 2025. Daarnaast wordt er rekening gehouden met enerzijds nieuwe extra trajectcontroles in 2026 en 2029 en anderzijds de inzet van een bijkomende mobiele flitser om zo nog beter te kunnen inspelen op specifieke noden in kader van verkeersveiligheid.
Op basis van de samenwerkingsovereenkomst met GAS Rivierenland worden de uitgaven ook in verhouding voorzien
Voor de uitbreiding van het aantal trajectcontroles en de bijkomende mobiele flitser wordt een investeringstoelage voorzien aan politiezone Heist.
Algemene werkingssubsidies
Gemeentefonds
De raming van ontvangsten uit het Gemeentefonds is gebaseerd op de prognose van de hoofddotatie zoals gepubliceerd op de website van het agentschap Binnenlands Bestuur.
Naast de hoofddotatie ontvangt gemeente Heist-op-den-Berg een aanvullende dotatie Elia-compensatie (uitdovend) en een aanvullende dotatie sectorale subsidies. Ook deze ramingen werden overgenomen van de prognoses op de website van het agentschap Binnenlands Bestuur.
Dotatie open ruimte
Vanaf 2020 ontvangt de gemeente een tussenkomst van de Vlaamse overheid uit de bijkomende algemene financieringslijn voor het beheer en de vrijwaring van de open ruimte. Deze subsidie wordt ingeschreven conform de richtlijnen en ramingen op de website van het agentschap Binnenlands Bestuur.
Regularisatiepremies contingentgesco’s
De raming van de regularisatiepremie is gebaseerd op de raming op de website van het agentschap Binnenlands Bestuur.
Subsidies VIA6-akkoord
De lokale besturen ontvangen een compensatie om de oversijpelingseffecten van het VIA6-akkoord op te vangen als ze zowel VIA als niet-VIA personeel tewerkstellen. De raming hiervan is gebaseerd op de raming op de website van het agentschap Binnenlands Bestuur.
Subsidie voor lokaal sociale-economiebeleid
Vanaf 2026 worden de middelen voor de lokale regierol sociale economie en werk en voor de aanvullende lokale diensten (ALD) samengebracht in één structurele algemene financiering, ter versterking van het lokaal sociale-economiebeleid.
De gemeente zal jaarlijks het haar toegekende bedrag ontvangen, berekend op basis van doelgroep- en omgevingsparameters, voor de volledige duur van de lokale legislatuur (tot 2030). De middelen worden rechtstreeks en automatisch via de algemene financiering aan de gemeenten uitbetaald, zonder bijkomende administratieve lasten. Ze zijn bedoeld om het lokaal sociale-economiebeleid te ondersteunen, uit te bouwen en te versterken, rekening houdende met de lokale noden en beleidsprioriteiten. Het lokaal bestuur beslist zelf hoe die middelen het best worden ingezet.
De raming hiervan is gebaseerd op de raming op de website van het agentschap Binnenlands Bestuur.
Specifieke werkings- en investeringssubsidies
De ontvangsten uit de verschillende specifieke subsidies worden geraamd op basis van de beschikbare info zoals toekenningsvoorwaarden, brieven, …
Dividend van AGB
Rekening houdend met het winstoogmerk van en de beschikbare reserves binnen het AGB wordt er jaarlijks een uitkering van een dividend aan de gemeente voorzien.
De effectieve uitkering van dividend zal bepaald worden bij de afsluit van de rekening door de Raad van Bestuur. Hierbij moet rekening gehouden worden met eventuele boekhoudkundige verliezen en aanleg van de wettelijke reserve bij het AGB.
Dividenden gas en elektriciteit
De geraamde dividenden van het netbeheer elektriciteit en aardgas zijn gebaseerd op berichtgeving van Fluvius (brief van 30 juni 2025). In deze brief wordt een inschatting gegeven van de dividenden voor de periode 2025-2031. Deze ramingen zijn evenwel onzeker en zullen verder opgevolgd worden en desgevallend aangepast bij de volgende aanpassingen van het meerjarenplan. Meer duiding hierbij is terug te vinden onder de financiële risico’s.
Overname openbare verlichting
Op de gemeenteraad van 10 september 2019 werd de beheersoverdracht van het bestaand openbaar verlichtingspark goedgekeurd.
De overeenkomst tussen Fluvius en de gemeente moet conform artikel 52 en 56 van het BVR BBC 2020 boekhoudkundig verwerkt worden als een financiële leasing. In de praktijk gaat het over een DBFMO-overeenkomst met een bijzondere wijze van aanrekening aan de gemeente.
De nodige gegevens voor dit meerjarenplan werden door Fluvius bezorgd op 30 juli 2025 en als dusdanig verwerkt in dit meerjarenplan.
HidroRiofonds
Het investeringsfonds HidroRio werd opgezet in 2015 om tegemoet te komen aan de vraag van gemeenten om niet-gesubsidieerde werken te laten uitvoeren door HidroRio zonder dat de gemeente daarvoor een gemeentelijke tussenkomst moet doen.
Om dit mogelijk te maken wordt de achtergestelde lening versneld afgelost. Vanuit de achtergestelde lening wordt elke legislatuur een bedrag (gelijk aan de vastgestelde kapitaalaflossing per jaar x aantal jaren van de legislatuur) individueel per gemeente omgezet naar het investeringsfonds. Bij de start van de nieuwe legislatuur werd opnieuw 6x het bedrag van de jaarlijkse kapitaalsaflossing in het investeringsfonds ter beschikking gesteld (voor de periode 2025-2030). Niet opgenomen bedragen bij het einde van de legislatuur worden naar de volgende legislatuur overgedragen.
Het fonds kan door elke HidroRio-gemeente aangewend worden voor de financiering van specifieke investeringsprojecten van de gemeente binnen HidroRio.
Bij het begin van de volgende legislatuur in 2031 wordt opnieuw 6x het jaarbedrag van de jaarlijkse kapitaalsaflossing aan het investeringsfonds toegevoegd. Dit wordt in het meerjarenplan in 2031 ingeschreven.
Daarnaast blijft de gewone jaarlijkse kapitaalaflossing van de achtergestelde lening ongewijzigd behouden.